woensdag, april 17, 2013

hypotheek plus, maar het huis staat onder water


                                           


Huizenprijzen en gezondheid van de economie.

Naar aanleiding van de opnieuw gedaalde huizenprijzen en de opnieuw lagere aantallen huizenverkopen in het eerste kwartaal van dit jaar stonden kranten en bladen bol van de analyses. Terecht, want niets hangt zo nauw met elkaar samen dan de huizenprijzen en de gezondheid van de economie. Dan bedoel ik niet de gezondheid van de economie van de multinationals, maar die van de gewone burger.

Het huis is immers de grootste kapitaalsinvestering van de gemiddelde burger in zijn leven. Een huis is een eerste levensbehoefte, tegelijk met eten, maar dat is in dit deel van de wereld peanuts in vergelijking tot huisvesting. In tegenstelling tot Afrika trouwens, waar het precies andersom ligt, maar dat voor nu terzijde.

“Een eigen huis, een plek onder de zon!” zong René Froger[1], lees die tekst, hij geeft de sfeer aan van jonge mensen op zoek naar geluk, naar een eigen huis.

De babyboomers onder ons weten het nog wel. De gewone man kan een hypotheek wel vergeten: te weinig inkomen, vrouw telde niet mee, onzekere toekomst, allerlei redenen om niet voor een hypotheek in aanmerking te komen. Sterker nog, we kenden het woord “hypotheek” nauwelijks, dat was iets voor rijke mensen. Gewone mensen moesten sparen om iets duurs te kunnen kopen. En wie niet gespaard had of niet sparen kon had gewoon pech.

Zo was dat zowel vóór als ná de Tweede Wereldoorlog de norm. Totdat de kredietverlening werd uitgevonden. Zoals alles in die dagen overgewaaid vanuit Amerika (onze bevrijders, dus die hadden altijd gelijk) Zij zagen in dat zonder geld geen moderne economie kan draaien. Het verwoeste Europa werd overstelpt met geld voor wederopbouw , waardoor in Duitsland het “Wirtschafftswunder” zich kon voltrekken en in haar kielzog het overgrote deel van Europa zich kon optrekken op de veilige glijders van het Duitse vlaggenschip.  Ik kan mij een VN poster uit die tijd herinneren van dat prachtige vlaggenschip met elk zeil als een andere Europese vlag: de Franse, de Britse, de Nederlandse. Net als nu wilde Duitsland toen niet de eer naar zich toetrekken de eigenaar van het vlaggenschip zijn. Dat is ook niet het geval. Duitsland is “slechts” de Europese kapitein, die wel de economische baas is, maar respect heeft te tonen naar de Berlusconi’s, de Hollande’s en nog wat andere Griekse, Cypriotische en andere chaotische brekebenen.

Wat we niet beseften was dat dat Amerikaanse geld helemaal niet bestond! Het was gewoon met de stencilmachine geproduceerd. Er stond geen tegenwaarde achter. Geen goud of andere verkoopbare eigendommen. Trouwens, wie in de wereld had ooit die zonder tegenwaarde gecreëerde schuld kunnen aflossen? We lieten Amerika dus maar hun gang gaan in het vertrouwen dat zij het wel wisten (zij hadden immers de oorlog gewonnen)

En het werkte! De economie in Europa bloeide op, en hoe. De tussenfases van armoedige vakanties (maar toch!) en armetierige huizen (maar toch!) laat ik even weg. In de jaren zestig ontworstelde Europa zich definitief van de armoede. Luxe werd de norm. Man en vrouw werkten hard om zich nylonkousen en een fatsoenlijke middenklasse auto te kunnen permitteren. Elk jaar steeg het loon, maar wel allemaal van geleend geld. Geleend van Amerika, die het op haar beurt met de stencilmachine, later de fotocopiëermachine, zonder onderpand had laten bijdrukken.

Nu nog roept Ben Bernanke dat “het beter is geld uit helikopters over het land te verspreiden dan de consumptie te laten instorten”

Volgens vele economen is dit puur Keynesiaans denken. Kletskoek. Bij mijn weten heeft Keynes nooit bedoeld de economie te financieren met geld dat niet bestaat. En dat is wat Bernanke wel doet. En wat Amerika al sinds de Amerikaanse burgeroorlog doet. Financieren met Monopoly geld in de overtuiging dit door in-verdien-effecten  op termijn weer te kunnen omzetten in echt geld.

Wat is dan het verschil tussen “echt” geld en “monopoly” geld? Echt geld heeft een intrinsieke waarde, daar staat iets tegenover. Vóór de Tweede Wereldoorlog hadden we de Gouden Standaard, de goudstaven die elk respectabel land in kluizen in reserve hield voor het geval de papieren briefjes waarop de tegenwaarde in goud door de schatkistbewaarder werd gegarandeerd. Die overgang naar papieren briefjes (het chartale geld) versnelde de economie enorm: geen balen met gouden en zilveren munten meer, maar stukjes papier met de gouden garantie dat de tegenwaarde van dat stukje papier gelijk stond aan de gouden en zilveren munten die je bij de bank tegen inlevering van dat stukje papier kon opeisen. Na de gewenning verdwenen vervolgens ook de gouden en zilveren munten en betaalde men elkaar nog slechts met bankbiljetten (de stukjes papier met daarop de waarde in letters en cijfers afgedrukt).

Daarna kwam de volgende versnelling van de economie: het girale geld. We hoefden elkaar niet meer te betalen met bankbiljetten, maar gaven ons (tijdelijk) overtollige geld in bewaring bij de bank en hoefden slechts een overschrijvingsformuliertje in te vullen om de bank vanuit onze spaarrekening een schuldbedrag over te laten boeken naar degene die van ons geld te vorderen had.

Eigenlijk had de versnelling van de economie hier moeten eindigen. De optimale versnelling van het geldverkeer was hiermee bereikt. Maar niet de maximale versnelling. Die lag nog een paar turbo’s verder. Knappe koppen bedachten dat als je goud in munten kon omzetten en munten in papiertjes en papiertjes in overboekingen, je ook die overboekingen kon omzetten in beloftes:

KREDIET genaamd. De belofte om te betalen zodra je het geld had. Aanvankelijk met betalingstermijnen van veertien dagen, later drie maanden, maar uiteindelijk met hypotheekleningen op (tijdsbestendig) onroerend goed van dertig jaar. We mochten in dertig jaar aflossen! Hoera! Wie dan leeft, wie dan zorgt, toch? En toen, ja toen: kwam de volgende turbo: we hoefden helemaal niets meer af te lossen! Alle schuld kon immers worden afgelost zodra wij dood waren en onze aanschaffingen gedurende ons leven tegen hogere prijzen konden worden verkocht. Bank en nabestaanden delen de winst: iedereen blij.

Denk niet dat ik een tegenstander van krediet ben. Het is de smeerolie van de moderne economie en het werkt voortreffelijk om niet alleen de Rijken, maar ook de Armen deel te laten hebben aan de economie, de welvaart en het welbevinden. Maar ik vind het wel heel goed als in een café boven de tap een bord hangt met de tekst: “Jan Krediet Woont Hier Niet” . Voor verbrassen is krediet niet uitgevonden.

Terug naar Amerika, waar Ben Bernanke in de traditie van zijn creatieve voorgangers de ultieme turbo voor ongeremd consumentisme heeft uitgevonden: Stimuleer het consumentisme, zelfs als we het geld vanuit vliegtuigen over het volk moeten doen neerdalen. Amerika is op dit moment het enige land ter wereld die zich een dergelijk standpunt kan permitteren. Zij zijn de enigen die de bankbiljettenpers op volle snelheid kunnen laten draaien, zonder dat iemand daar iets van zal zeggen. Komen zij geld te kort om hun schulden “af te lossen”? (Let op: dat is dus al twee fases verder dan “betalen”, toch?), dan zetten zij gewoon de drukpers weer aan (en betalen een nog snellere drukpers met nog meer geld dat er niet is en nooit bestaan heeft) Zij blijven hopen dat het geld dat zij nu te kort komen ooit echt zal bestaan. Vanuit de gedachte dat alles alleen maar duurder zal worden. China en Japan schrijven (respectvol diep buigend) alles op de lat en weten dat alle Amerikaanse bezittingen eigenlijk van hun zijn. En in het verlengde daarvan alle Europese bezittingen.[i]

Want Amerika financierde de Europese wederopbouw  na de Tweede Wereldoorlog met geld dat niet bestond. Gelukkig maar, anders zouden we nu nog in de crisis van de jaren Dertig zitten. En eerlijk is eerlijk: het systeem werkte! De oorlogsindustrie in Duitsland bracht werkgelegenheid, inkomen en optimisme na de bittere armoede als gevolg van de smadelijk door Duitsland verloren Eerste Wereldoorlog en het nog smadelijker Verdrag van Versailles. Vervolgens bloeide de Amerikaanse economie op, eveneens door de opbloeiende oorlogsindustrie. Inderdaad, gefinancierd met geld dat niet bestond en ook nooit bestaan had, maar dat (toen nog wel) werd inverdiend. Door overeenkomsten, loyaliteitsverklaringen en vele andere handboeien waarmee de wereld werd gekluisterd in ruil voor waardeloos geld.

Toen dat op z’n einde liep lanceerde Amerika de CREDITkaart, we praten nu over de jaren zestig. Hier in Europa hebben we als baken in ons huishouden nog steeds onze bankpas, in Amerika DEBITkaart geheten. Het verschil is dat de Debitkaart  (uw bankpas) de winkelier betaalt uit het spaartegoed dat de houder van de kaart bij de bank heeft staan en dat de Creditkaart pas aan het eind van de maand de winkelier betaalt tegen inhouding van kosten en rente en de kaarthouder (de consument) tegen geringe kosten nog een maand uitstel geeft. Al met al heeft dit natuurlijk niets meer te maken met geldverkeer. Zo word het ook niet meer genoemd: kredietmanagement is de term. Zijn we daarmee beter af? Nee!

Met geldverkeer zijn we immers altijd veilig: altijd onderpand genoeg om in geval van nood je schuld te kunnen aflossen. Kredietmanagement houd zich bezig met het perfectioneren van “het ene gat met het andere vullen en dan maar hopen dat het je tijd uitdient.” Wie dan leeft, wie dan zorgt, schreef ik eerder. Maar dat kunnen dus ook je kinderen of kleinkinderen zijn.
Is het dat waard om voor de opgefokte waarde van je huis je hypotheek te verhogen en er een boot of caravan voor te kopen?

OPFOKKEN

Niets is nagelaten om de economie in een oneindig groeiscenario te persen.  Ofwel het begrip KREDIET op te rekken. Niet als tijdelijke overbrugging van tekort aan liquiditeit, aan echt geld, maar om de aflossing van dat krediet aan je erfgenamen of de overheid na te laten. Banken werkten daar met plezier aan mee, want geld uitlenen tegen geld dat niet bestond leverde maximale winsten op, waarmee bonussen konden worden uitgekeerd aan de slimmeriken die  de trucs hadden bedacht of daar de verantwoordelijkheid voor droegen.

De groei van de economie raakte los van de onderliggende waarde. Wat is een huis waard? In principe slechts de kosten van de materialen en de arbeid. Maar de economen en bankiers bedachten dat niet de voortbrengingskosten (de som van kapitaal en arbeid) bepalend waren, maar de marktwaarde (net als op de Albert Cuyp: wat de gek er voor geeft)

Recentelijk las ik in “eigen huis”, het maandblad van de Vereniging Eigen Huis dat journalist en Macro Econoom (nota bene!) Mathijs Bouman verkondigde: “Als econoom maakt het mij niet uit wat een huis kost, want dat bepaalt de markt. Alsof de markt heilig is, allesbepalend! Op diezelfde wereldomspannende Albert Cuyp zijn er altijd fruitverkopers die een prachtige kist glimmende appels in het zicht hebben staan tegen een mooie prijs. Als je thuis komt blijken de gekochte appels uit een ander kistje te zijn gekomen en… nee, niet nog mooier, maar veel slechter, heel veel slechter. Dat is de markt. Zowel op de echte Albert Cuyp als in Peking (of als u dat prettiger vind: Beijing) heb ik dat aan den lijve ondervonden en als je verhaal komt halen word je midden in je gezicht uitgelachen. Niet erg, gewoon mee lachen, weg wezen en volgende keer beter. Hoewel… Altijd zullen er marktkooplieden zijn die slimmer zijn dan jij bent, althans op hun specialisme. Moeten we ons dat dan maar laten welgevallen? Ach, zolang het om de Albert Cuyp gaat, oké. Maar als het om kapitaalgoederen gaat, zoals huizen, wordt het anders! Dan is er kennis en sturing en toezicht nodig om ontsporingen te voorkomen.

En dat is precies wat er in de afgelopen twintig jaar is gebeurd. De macro economen die ons met hun kennis en duur betaalde opleidingen hadden moeten beschermen zeiden: “Als econoom maakt het mij niet uit wat een huis kost, want dat bepaalt de markt”. Met andere woorden: als jij je wilt laten belazeren door fruit op de markt te kopen is het gewoon Eigen schuld, Dikke bult. De markt moet ingeperkt worden om ontsporingen te vermijden. Daar zijn wijze bestuurders voor nodig. Op de Albert Cuyp is dat de marktmeester, een autoriteit die al zijn pappenheimers kent. Op de kapitaalgoederenmarkt laten politiek en wetenschap het afweten en schuift men de verantwoordelijkheid naar de zwakste schakel in de keten, de onschuldige burger, zoals dat in oorlogskringen heet. Het verschil is dat er in oorlogskringen geen onschuldige burgers  bestaan, omdat ze allemaal partij hebben gekozen, maar dat op de markt de onschuldige burger met een beperkt IQ en een beperkte opleiding altijd de sigaar is. Als dat de Mores van de Markt is word ik alsnog communist. Maar vanwege de grote bezwaren die daar aan kleven doe ik dat niet maar blijf met volle overtuiging strijden voor een Geleide Markt Economie. We zijn het cowboytijdperk al lang voorbij, toch?





[i] Zie http://www.freewebs.com/staatsschuldamerika/inleiding.htm en zet hem op je desktop, zodat je elke avond kunt kijken

Geen opmerkingen: