Huizenprijzen en gezondheid van de economie.
Naar aanleiding van de opnieuw gedaalde huizenprijzen en de
opnieuw lagere aantallen huizenverkopen in het eerste kwartaal van dit jaar
stonden kranten en bladen bol van de analyses. Terecht, want niets hangt zo
nauw met elkaar samen dan de huizenprijzen en de gezondheid van de economie.
Dan bedoel ik niet de gezondheid van de economie van de multinationals, maar
die van de gewone burger.
Het huis is immers de grootste kapitaalsinvestering van de
gemiddelde burger in zijn leven. Een huis is een eerste levensbehoefte,
tegelijk met eten, maar dat is in dit deel van de wereld peanuts in
vergelijking tot huisvesting. In tegenstelling tot Afrika trouwens, waar het
precies andersom ligt, maar dat voor nu terzijde.
“Een eigen huis, een plek onder de zon!” zong René Froger[1], lees
die tekst, hij geeft de sfeer aan van jonge mensen op zoek naar geluk, naar een
eigen huis.
De babyboomers onder ons weten het nog wel. De gewone man kan
een hypotheek wel vergeten: te weinig inkomen, vrouw telde niet mee, onzekere
toekomst, allerlei redenen om niet voor een hypotheek in aanmerking te komen.
Sterker nog, we kenden het woord “hypotheek” nauwelijks, dat was iets voor
rijke mensen. Gewone mensen moesten sparen om iets duurs te kunnen kopen. En
wie niet gespaard had of niet sparen kon had gewoon pech.
Zo was dat zowel vóór als ná de Tweede Wereldoorlog de norm.
Totdat de kredietverlening werd uitgevonden. Zoals alles in die dagen
overgewaaid vanuit Amerika (onze bevrijders, dus die hadden altijd gelijk) Zij
zagen in dat zonder geld geen moderne economie kan draaien. Het verwoeste
Europa werd overstelpt met geld voor wederopbouw , waardoor in Duitsland het
“Wirtschafftswunder” zich kon voltrekken en in haar kielzog het overgrote deel
van Europa zich kon optrekken op de veilige glijders van het Duitse
vlaggenschip. Ik kan mij een VN poster
uit die tijd herinneren van dat prachtige vlaggenschip met elk zeil als een
andere Europese vlag: de Franse, de Britse, de Nederlandse. Net als nu wilde
Duitsland toen niet de eer naar zich toetrekken de eigenaar van het
vlaggenschip zijn. Dat is ook niet het geval. Duitsland is “slechts” de
Europese kapitein, die wel de economische baas is, maar respect heeft te tonen
naar de Berlusconi’s, de Hollande’s en nog wat andere Griekse, Cypriotische en
andere chaotische brekebenen.
Wat we niet beseften
was dat dat Amerikaanse geld helemaal niet bestond! Het was gewoon met de
stencilmachine geproduceerd. Er stond geen tegenwaarde achter. Geen goud of
andere verkoopbare eigendommen. Trouwens, wie in de wereld had ooit die zonder
tegenwaarde gecreëerde schuld kunnen aflossen? We lieten Amerika dus maar hun
gang gaan in het vertrouwen dat zij het wel wisten (zij hadden immers de oorlog
gewonnen)
En het werkte! De economie in Europa bloeide op, en hoe. De
tussenfases van armoedige vakanties (maar toch!) en armetierige huizen (maar
toch!) laat ik even weg. In de jaren zestig ontworstelde Europa zich definitief
van de armoede. Luxe werd de norm. Man en vrouw werkten hard om zich
nylonkousen en een fatsoenlijke middenklasse auto te kunnen permitteren. Elk
jaar steeg het loon, maar wel allemaal van geleend geld. Geleend van Amerika,
die het op haar beurt met de stencilmachine, later de fotocopiëermachine,
zonder onderpand had laten bijdrukken.
Nu nog roept Ben Bernanke dat “het beter is geld uit
helikopters over het land te verspreiden dan de consumptie te laten instorten”
Volgens vele economen is dit puur Keynesiaans denken.
Kletskoek. Bij mijn weten heeft Keynes nooit bedoeld de economie te financieren
met geld dat niet bestaat. En dat is wat Bernanke wel doet. En wat Amerika al
sinds de Amerikaanse burgeroorlog doet. Financieren met Monopoly geld in de
overtuiging dit door in-verdien-effecten
op termijn weer te kunnen omzetten in echt geld.
Wat is dan het verschil tussen “echt” geld en “monopoly”
geld? Echt geld heeft een intrinsieke waarde, daar staat iets tegenover. Vóór
de Tweede Wereldoorlog hadden we de Gouden Standaard, de goudstaven die elk
respectabel land in kluizen in reserve hield voor het geval de papieren
briefjes waarop de tegenwaarde in goud door de schatkistbewaarder werd
gegarandeerd. Die overgang naar papieren briefjes (het chartale geld) versnelde de economie enorm: geen balen met gouden
en zilveren munten meer, maar stukjes papier met de gouden garantie dat de
tegenwaarde van dat stukje papier gelijk stond aan de gouden en zilveren munten
die je bij de bank tegen inlevering van dat stukje papier kon opeisen. Na de
gewenning verdwenen vervolgens ook de gouden en zilveren munten en betaalde men
elkaar nog slechts met bankbiljetten (de stukjes papier met daarop de waarde in
letters en cijfers afgedrukt).
Daarna kwam de volgende versnelling van de economie: het girale geld. We hoefden elkaar niet
meer te betalen met bankbiljetten, maar gaven ons (tijdelijk) overtollige geld
in bewaring bij de bank en hoefden slechts een overschrijvingsformuliertje in
te vullen om de bank vanuit onze spaarrekening een schuldbedrag over te laten
boeken naar degene die van ons geld te vorderen had.
Eigenlijk had de versnelling van de economie hier moeten
eindigen. De optimale versnelling van het geldverkeer was hiermee bereikt. Maar
niet de maximale versnelling. Die lag nog een paar turbo’s verder. Knappe
koppen bedachten dat als je goud in munten kon omzetten en munten in papiertjes
en papiertjes in overboekingen, je ook die overboekingen kon omzetten in
beloftes:
KREDIET genaamd. De belofte om te betalen zodra je het geld
had. Aanvankelijk met betalingstermijnen van veertien dagen, later drie
maanden, maar uiteindelijk met hypotheekleningen op (tijdsbestendig) onroerend
goed van dertig jaar. We mochten in dertig jaar aflossen! Hoera! Wie dan leeft,
wie dan zorgt, toch? En toen, ja toen: kwam de volgende turbo: we hoefden
helemaal niets meer af te lossen! Alle schuld kon immers worden afgelost zodra
wij dood waren en onze aanschaffingen gedurende ons leven tegen hogere prijzen
konden worden verkocht. Bank en nabestaanden delen de winst: iedereen blij.
Denk niet dat ik een tegenstander van krediet ben. Het is de
smeerolie van de moderne economie en het werkt voortreffelijk om niet alleen de
Rijken, maar ook de Armen deel te laten hebben aan de economie, de welvaart en
het welbevinden. Maar ik vind het wel heel goed als in een café boven de tap
een bord hangt met de tekst: “Jan Krediet Woont Hier Niet” . Voor verbrassen is
krediet niet uitgevonden.
Terug naar Amerika, waar Ben Bernanke in de traditie van zijn
creatieve voorgangers de ultieme turbo voor ongeremd consumentisme heeft
uitgevonden: Stimuleer het consumentisme, zelfs als we het geld vanuit
vliegtuigen over het volk moeten doen neerdalen. Amerika is op dit moment het
enige land ter wereld die zich een dergelijk standpunt kan permitteren. Zij
zijn de enigen die de bankbiljettenpers op volle snelheid kunnen laten draaien,
zonder dat iemand daar iets van zal zeggen. Komen zij geld te kort om hun
schulden “af te lossen”? (Let op: dat is dus al twee fases verder dan “betalen”,
toch?), dan zetten zij gewoon de drukpers weer aan (en betalen een nog snellere
drukpers met nog meer geld dat er niet is en nooit bestaan heeft) Zij blijven
hopen dat het geld dat zij nu te kort komen ooit echt zal bestaan. Vanuit de
gedachte dat alles alleen maar duurder zal worden. China en Japan schrijven
(respectvol diep buigend) alles op de lat en weten dat alle Amerikaanse
bezittingen eigenlijk van hun zijn. En in het verlengde daarvan alle Europese
bezittingen.[i]
Want Amerika financierde de Europese wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog met geld dat niet
bestond. Gelukkig maar, anders zouden we nu nog in de crisis van de jaren
Dertig zitten. En eerlijk is eerlijk: het systeem werkte! De oorlogsindustrie
in Duitsland bracht werkgelegenheid, inkomen en optimisme na de bittere armoede
als gevolg van de smadelijk door Duitsland verloren Eerste Wereldoorlog en het
nog smadelijker Verdrag van Versailles. Vervolgens bloeide de Amerikaanse
economie op, eveneens door de opbloeiende oorlogsindustrie. Inderdaad,
gefinancierd met geld dat niet bestond en ook nooit bestaan had, maar dat (toen
nog wel) werd inverdiend. Door overeenkomsten, loyaliteitsverklaringen en vele
andere handboeien waarmee de wereld werd gekluisterd in ruil voor waardeloos
geld.
Toen dat op z’n einde liep lanceerde Amerika de CREDITkaart,
we praten nu over de jaren zestig. Hier in Europa hebben we als baken in ons
huishouden nog steeds onze bankpas, in Amerika DEBITkaart geheten. Het verschil
is dat de Debitkaart (uw bankpas) de
winkelier betaalt uit het spaartegoed dat de houder van de kaart bij de bank
heeft staan en dat de Creditkaart pas aan het eind van de maand de winkelier
betaalt tegen inhouding van kosten en rente en de kaarthouder (de consument)
tegen geringe kosten nog een maand uitstel geeft. Al met al heeft dit
natuurlijk niets meer te maken met geldverkeer. Zo word het ook niet meer
genoemd: kredietmanagement is de term. Zijn we daarmee beter af? Nee!
Met geldverkeer zijn we immers altijd veilig: altijd
onderpand genoeg om in geval van nood je schuld te kunnen aflossen.
Kredietmanagement houd zich bezig met het perfectioneren van “het ene gat met
het andere vullen en dan maar hopen dat het je tijd uitdient.” Wie dan leeft,
wie dan zorgt, schreef ik eerder. Maar dat kunnen dus ook je kinderen of
kleinkinderen zijn.
Is het dat waard om voor de opgefokte waarde van je huis je
hypotheek te verhogen en er een boot of caravan voor te kopen?
OPFOKKEN
Niets is nagelaten om de economie in een oneindig groeiscenario
te persen. Ofwel het begrip KREDIET op
te rekken. Niet als tijdelijke overbrugging van tekort aan liquiditeit, aan
echt geld, maar om de aflossing van dat krediet aan je erfgenamen of de
overheid na te laten. Banken werkten daar met plezier aan mee, want geld
uitlenen tegen geld dat niet bestond leverde maximale winsten op, waarmee
bonussen konden worden uitgekeerd aan de slimmeriken die de trucs hadden bedacht of daar de
verantwoordelijkheid voor droegen.
De groei van de economie raakte los van de onderliggende
waarde. Wat is een huis waard? In principe slechts de kosten van de materialen
en de arbeid. Maar de economen en bankiers bedachten dat niet de voortbrengingskosten
(de som van kapitaal en arbeid) bepalend waren, maar de marktwaarde (net als op
de Albert Cuyp: wat de gek er voor geeft)
Recentelijk las ik in “eigen
huis”, het maandblad van de Vereniging Eigen Huis dat journalist en Macro
Econoom (nota bene!) Mathijs Bouman verkondigde: “Als econoom maakt het mij
niet uit wat een huis kost, want dat bepaalt de markt“. Alsof de markt heilig
is, allesbepalend! Op diezelfde wereldomspannende Albert Cuyp zijn er altijd
fruitverkopers die een prachtige kist glimmende appels in het zicht hebben
staan tegen een mooie prijs. Als je thuis komt blijken de gekochte appels uit
een ander kistje te zijn gekomen en… nee, niet nog mooier, maar veel slechter,
heel veel slechter. Dat is de markt. Zowel op de echte Albert Cuyp als in
Peking (of als u dat prettiger vind: Beijing) heb ik dat aan den lijve
ondervonden en als je verhaal komt halen word je midden in je gezicht
uitgelachen. Niet erg, gewoon mee lachen, weg wezen en volgende keer beter.
Hoewel… Altijd zullen er marktkooplieden zijn die slimmer zijn dan jij bent,
althans op hun specialisme. Moeten we ons dat dan maar laten welgevallen? Ach,
zolang het om de Albert Cuyp gaat, oké. Maar als het om kapitaalgoederen gaat,
zoals huizen, wordt het anders! Dan is er kennis en sturing en toezicht nodig
om ontsporingen te voorkomen.
En dat is precies wat er in de afgelopen twintig jaar is
gebeurd. De macro economen die ons met hun kennis en duur betaalde opleidingen
hadden moeten beschermen zeiden: “Als
econoom maakt het mij niet uit wat een huis kost, want dat bepaalt de markt”. Met
andere woorden: als jij je wilt laten
belazeren door fruit op de markt te kopen is het gewoon Eigen schuld, Dikke
bult. De markt moet ingeperkt worden om ontsporingen te vermijden. Daar zijn
wijze bestuurders voor nodig. Op de Albert Cuyp is dat de marktmeester, een
autoriteit die al zijn pappenheimers kent. Op de kapitaalgoederenmarkt laten
politiek en wetenschap het afweten en schuift men de verantwoordelijkheid naar
de zwakste schakel in de keten, de
onschuldige burger, zoals dat in oorlogskringen heet. Het verschil is dat
er in oorlogskringen geen onschuldige
burgers bestaan, omdat ze allemaal
partij hebben gekozen, maar dat op de markt de onschuldige burger met een
beperkt IQ en een beperkte opleiding altijd de sigaar is. Als dat de Mores van
de Markt is word ik alsnog communist. Maar vanwege de grote bezwaren die daar
aan kleven doe ik dat niet maar blijf met volle overtuiging strijden voor een Geleide Markt Economie. We zijn het
cowboytijdperk al lang voorbij, toch?
[i] Zie http://www.freewebs.com/staatsschuldamerika/inleiding.htm
en zet hem op je desktop, zodat je elke avond kunt kijken
